Niets dan de Waarheid

Lezing: ‘April, de Maand van de Filosofie’, boekhandel de DRYKKERIJ
zaterdag 8 april 2006, te Middelburg
door: Dick van Biemen

‘Niets dan de Waarheid’, zo luidt het thema in deze Maand van de Filosofie – en dat wil nogal wat zeggen. Ik raak met zo’n thema al direct in de problemen. Want, wat pretendeert zo’n aanhef..? ‘Niets dan de Waarheid’? Zo ja, dan boft u toch maar, omdat alles wat nu volgt opgevat kan worden als het ultieme woord, en u daarmee ontslagen bent van verdere moeizame inspanningen tot waarheidsvinding omtrent ‘dit’ of ‘dat’, of iets anders.

Zo niet, dan sta ik hier goed voor joker, omdat veel van wat nu volgt opgevat kan worden als potentiële leugen, waarmee ik u niet alleen belemmer in uw verlangen naar waarheid – uw aanwezigheid getuigt daarvan – maar u bovendien beroof van kostbare tijd, die, weliswaar minder pretentieus, maar zeker met meer nut en mogelijk ook meer plezier besteed had kunnen worden. U ziet, de zaken liggen niet eenvoudig – voor u niet, en voor mij niet – zeker als het om de waarheid gaat.

HET WAARHEIDSPROBLEEM
De thematitel – Niets dan de waarheid – biedt dus geen garanties, en daarmee is het probleem geschetst: ‘Het Waarheidsprobleem’. Een hardnekkig probleem ook, dat ons denken achtervolgt, elk denken: het alledaagse denken, het academisch denken, het religieuze denken, het vrije denken, het dogmatisch denken, het nihilistisch denken, het idealistisch denken enz. Want, ons denken loopt nogal eens op de waarheid vooruit.., loopt eigenlijk de waarheid voor de voeten. Om nu dit problematisch karakter van het begrip ‘waarheid’ te verhelderen moeten we onderscheid maken tussen, wat dan heet, de formele en de substantiële kant van waarheid. De term ‘formeel’ duidt hier op de vorm, ofwel de positie, die waarheid en werkelijkheid ten opzichte van elkaar hebben, en van daaruit, de status van het begrip waarheid ten opzichte van het begrip werkelijkheid. Dat klinkt nogal abstract, maar ik weet zeker dat u het gaat snappen… De term ‘substantieel’ laat zich wat makkelijker voorstellen, want daarbij betreft het de directe inhoud van een waarheidsaanspraak voor zover die verwijst naar een concreet aspect binnen de werkelijkheid.

FORMEEL ASPECT
Maar nu eerst het formele aspect van het waarheidsbegrip. Daarbij draait het, zoals gezegd, om de verhouding tussen waarheid en werkelijkheid, en daarmee duidt dit aspect op twee zaken die fundamenteel van elkaar verschillen, maar in het alledaagse spraakgebruik probleemloos worden samengevoegd. En juist in dat ondoordachte samenvoegen ligt het probleem. Wanneer we bijvoorbeeld van iets beweren dat het ‘waar’ is, dan bedoelen we dat een bepaalde toedracht werkelijk heeft plaatsgehad of dat een bepaalde stand van zaken aantoonbaar present is, en daarom als reëel aangemerkt moet worden. Een bestaand feit dus, dat voor het alledaags besef voor zichzelf spreekt en in een waarheidsaanspraak ‘overtuigend’ tot uitdrukking wordt gebracht. Maar met die vanzelfsprekendheid gaan we impliciet – wat in dit geval betekent ondoordacht – voorbij aan het ‘gegeven’ dat de bedoelde toedracht of stand van zaken zich voordoet in de objectieve- ofwel publieke ruimte die we met allen delen, maar dat de gedane bewering over die toedracht als waarheidsaanspraak plaatsvindt in de subjectieve- ofwel private ruimte van ons denken, en daarmee een product is van dat denken.

Er bestaat zo bezien een principieel onderscheid tussen werkelijkheid en waarheid, een onderscheid dat parallel loopt aan het onderscheid tussen zijn en bewust-zijn, en daarmee een onderscheid dat dwars door het bewustzijn zelf loopt. Het menselijk bewustzijn, dat zich bewust is van het omringende zijn van de werkelijkheid maar ook van zichzelf als cogito, als denkende substantie, is dus niet passief. Ons denken is altijd actief betekenisgevend; het selecteert en redigeert de werkelijkheid van het zintuiglijk zijnde. Zo wordt dat zintuiglijk gegevene door het bewustzijn gezeefd en gewogen om vervolgens van een zingevend etiket te worden voorzien. En die aldus ‘geconstrueerde’ werkelijkheid is onze waarheid! Waarom sinds Aristoteles de traditionele opvatting van waarheid eeuwenlang luidde: adaequatio intellectus et rei: waarheid is de overeenstemming van denken en werkelijkheid – wat ook wel ‘de correspondentietheorie van waarheid’ wordt genoemd. Maar dit alles maakt te meer de vraag interessant of de redactie die ons ‘hoofdkwartier’ op de waarneming toepast, die adequatie met de werkelijkheid wel kan garanderen? Vandaag de dag zijn velen daar zeer sceptisch over, en terecht. Waarmee we komen op het substantieel aspect van waarheid.

SUBSTANTIEEL ASPECT
Dit aspect betreft het concrete denken en spreken in betrekking tot objecten binnen het geheel van de werkelijkheid. Bijvoorbeeld in uitspraken als, “De lucht is blauw”, “Het ijs is dun”, “Het brood is vers”, “Rita Verdonk is een charmante vrouw”, enz. Allemaal herkenbare uitspraken die verwijzen naar concrete standen van zaken binnen de empirische werkelijkheid.

Maar.., opgepast. Ook hier wil de aanvankelijke vanzelfsprekendheid waarmee deze uitspraken worden gedaan het problematisch karakter ervan verhullen. Want, wat wil het geval? Het geval wil, dat ‘blauw’, ‘dun’, ‘vers’ en ‘charmant’, zowel ideële als talige constructies zijn, die binnen onze culturele conventies wel een zekere geldigheid hebben en ons zo de illusie verschaffen dat we de werkelijkheid kennen en begrijpen, maar in wezen staan die constructies volkomen los van de stand van zaken die ze naar ons idee van waarheid pretenderen te beschrijven. En zo blijven we als het er op aan komt in het ongewisse, over zowel de waarheid als over de werkelijkheid zelf – elke werkelijkheid – waar in een waarheidsaanspraak naar verwezen wordt.

Samenvattend: Formeel is er de boedelscheiding tussen ons beoogde waarheidsdenken en de werkelijkheid waar dat denken naar wil verwijzen. En substantieel is er de incongruentie van ons begrippenkader met de empirische feiten waar wij die begrippen op willen toepassen.

Kunt u het nog volgen? Misschien kost het u moeite, maar troost u dan met de gedachte dat de wijze waarop hier het waarheidsbegrip geproblematiseerd wordt, misschien wel eens de waarheid omtrent het begrijpen van waarheid dichterbij kan brengen. Dus toch een stukje waarheidsvinding, maar dan anders.

‘WAARHEID’ – EEN MENSELIJKE KWESTIE
Goed… Dan is het nu tijd de aandacht te verleggen naar een ander probleem. En dat is, dat het hele concept waarheid een typisch menselijke aangelegenheid is. Dieren kennen geen waarheid, en planten moet je er al helemaal niet mee lastigvallen. Beide zijn tevreden met liefdevolle aandacht, of willen gewoon met rust gelaten worden – wat trouwens ook voor de meeste mensen geldt. Nee, dieren kennen alleen de werkelijkheid zoals die zich on-middellijk aan hun zintuigen voordoet. En daarbij zijn ze ook zo goed als on-middellijk, dat is: intuïtief en instinctief – voorzover dat voor hun overlevingkansen van belang is – op die werkelijkheid betrokken.

Dieren doen niet aan reflectie, mensen wel. En dat maakt mensen tot problematische wezens. Enerzijds hebben ze ook iets van het dier; ze kunnen heel intuïtief en instinctief opgaan in de werkelijkheid. Alle onbewuste reflexen en autonome psychofysische processen duiden daar op, nog afgezien van lieden die hun instincten welbewust cultiveren. Maar mensen hebben ook iets van het Godsrijk; ze verlangen waarheid, én goedheid, én schoonheid, en dat niet zomaar een beetje, maar in optima forma. De mens is daarmee een soort tussenwezen. Of, zoals de filosoof Arnold Gehlen het uitdrukte: een typisch Mängelwezen, geworteld in de aarde en tegelijkertijd reikend naar de hemel.

PLATO’S IDEEËNWERELD
De filosoof Plato had daar bijna vijfentwintig honderd jaar geleden ook al zo zijn gedachten over. Hij postuleerde een werkelijkheidsbeeld waarin sprake is van twee werelden. De ene wereld is die van de eeuwige, onveranderlijke en zuivere Ideeën, de andere die van de vergankelijke, veranderlijke en onvolmaakte vormen. Dé Werkelijkheid, met een hoofdletter, zo stelde hij, is die der Eeuwige Ideeën. Het is de plaats waar de zielen der mensen in volmaakte aanschouwing en kennis van de werkelijkheid verbleven voordat ze in een aards lichaam geboren werden. Plato maakt daarmee als het ware een tegenstelling tussen een eeuwige en volmaakte werkelijkheid en een vergankelijke, onvolmaakte werkelijkheid. Of ook wel, een bovenaardse tegenover een aardse werkelijkheid.

Maar met die indaling van de menselijke ziel in de vergankelijke wereld van de stof nam ook de vergetelheid beslag van de menselijke geest. Met als gevolg dat de mens niet meer weet wie hij is en waar hij vandaan komt. En zo doorloopt ieder individu zijn vergankelijk aardse bestaan, ver verwijderd van de ware Werkelijkheid, in een stoffelijke wereld van veranderlijkheid, schijn en onzekerheid, zoekend en tastend naar dat zuivere en volmaakte, waarvan hij ooit kennis had, maar waarvan de gestalten nu voor hem verborgen zijn. Zijn lot is de zoektocht, de queeste.

En, u begrijpt het misschien al, wil de waarheid over die volmaakte wereld aan het licht treden, dan moet de verborgen werkelijkheid daarvan openbaar, ofwel on-verborgen worden. Het woord dat Plato voor Waarheid gebruikt, A-letheia, betekent dan ook: onverborgenheid. Maar dat onthullen van wat verborgen is gaat zomaar niet. Nee, Plato had niet alleen inzicht in de verhouding tussen waarheid en werkelijkheid, maar ook inzicht in de menselijke psyche. Omdat we vervreemd zijn van het volmaakte, zo stelt hij, hebben we onszelf gewend aan het onvolmaakte, aan het benedenmaatse. En wel op zodanige wijze dat we ons er nog comfortabel bij voelen ook.

PLATO’S GROTMETAFOOR
Plato illustreert dat met een verhaal over een grot, de grotmetafoor. In een van zijn dialogen schetst hij het beeld van een donkere grot, waarin mensen verblijven die bij kaarslicht schaduwen op de wand waarnemen van objecten die ze niet kunnen zien omdat die objecten achter hen geplaatst staan. Maar omdat ze zo met die situatie vergroeid zijn, vatten ze hun verblijf in het schemerdonker van die grot en hun waarneming van de silhouetten tegen de wand op als de enige echt bestaande werkelijkheid en waarheid.

Vervolgens voert Plato de figuur van de pedagoog/filosoof ten tonele, die probeert enkele mensen uit de grot te ‘bevrijden’ door hen omhoog naar het daglicht te willen leiden. Maar omdat ze zo vertrouwd zijn met hun kijk op de werkelijkheid, met wat voor hen dé waarheid is, bieden ze in eerste instantie weerstand en worden ze kwaad wanneer iemand tracht hen ervan te overtuigen dat dé waarheid omtrent dé werkelijkheid buiten de grot, in het volle licht van de zon te vinden is.

Het beeld is duidelijk: de mens bevindt zich met zijn aardse lichamelijkheid in een schijnwereld van wisselende gestalten, waarin echte waarheid niet te vinden is. Wil de mens dé waarheid omtrent dé werkelijkheid weten, dan moet hij verlicht worden, hij moet uitgeleid worden uit het duister naar het licht. Een beeldspraak trouwens die we veelvuldig tegenkomen in zowel wijsgerige als religieuze teksten: ‘ontwaken’, ‘verlicht worden’, ‘herboren worden’, ‘veranderen van denken’. Allemaal inspirerende aansporingen voor het individu dat al halfweg overtuigd is van het nut en de noodzaak daartoe, maar er valt geen program voor collectieve wereldverbetering uit te destilleren. Dat moest ook Plato erkennen met zijn beschrijving van de ideale Staat.

Plato laat ons aldus zien, dat waarheid niet alleen moeilijk te vinden is, maar dat, wanneer de waarheid ongevraagd op ons pad komt, diezelfde waarheid zelden als zodanig herkend en daarom nauwelijks gewaardeerd wordt. Het tegendeel is dikwijls eerder het geval – wat ook blijkt uit het merendeel van de mensen, dat zodanig gehecht is aan eigen werkelijkheid en waarheid, dat daarvan een niet te overziene hoeveelheid strijdige opinies, interpretaties, beschouwingen, theorieën, of hoe we het ook noemen willen, het natuurlijk gevolg is.

PROTAGORAS: DE MENS ALS MAAT…
Een andere Griekse filosoof, even begaan met waarheid als Plato, zei daarover: ‘De mens is de maat van alle dingen’. Die filosoof was Protagoras, die daarmee blijk gaf van een voor zijn tijd verrassend modern aandoend besef van, wat we nu noemen, de meerduidigheid of polyinterpretabiliteit van zaken. Want, binnen onze veranderlijke wereld van stoffelijke vormen, is niets éénduidig te definiëren zonder de volledige werkelijkheid ervan geweld aan te doen. Die meerduidigheid – dat was Protagoras’ observatie -, impliceert een keuzemogelijkheid, op grond waarvan verschillende interpretaties en waarderingen mogelijk zijn.

De mens is immers geen descriptief, maar normatief wezen. Wat zoveel betekent als: we registreren niet louter neutraal, maar interpreteren ook, en uiten ons daarbij vanuit al of niet bewuste preferenties meestal in termen van waardetoekenning. En daarmee is het ook altijd de mens zelf die meent de waarde van iets of iemand te kunnen bepalen. Vervolgens krijgt, op de redactie van het denken, die waardetoekenning zonder veel omhaal de status van ‘waarheid’. En daarmee is de kern van Protagoras’ homo mensura-stelling, waarmee hij zijn hoofdwerk Alètheia – Waarheid – opent, gegeven: De mens is de maat van alle dingen, van dat wat is, wat het is, en van dat wat niet is, wat het niet is. En zo is de menselijke conditie er een van relativiteit en pluriformiteit, met op de achtergrond het decor van wisselende realiteiten en schuivende waarden. En binnen de kleine marges van dat toneel met zijn te krappe horizon is de mens een waarheidszoeker.

– Want, het begrip Waarheid trekt ons aan en daagt uit haar na te jagen. Maar het is met de Waarheid als met een vlinder: dikwijls ver te zoeken, soms even heel dichtbij, maar altijd in beweging. En als we denken haar te pakken te hebben blijkt ze zelden tegen die greep bestand. Vlinders bestaan en Waarheid bestaat, maar ze laten zich moeilijk opsluiten. En dat is het probleem van de waarheidszoeker –

Maar we moeten door, want we zijn verwikkeld in een zoektocht, een queeste. En daarbij is er ook altijd nog het rusteloze gevoel, dat er achter de coulissen van ons toneel nog meer, mogelijk een andere, of misschien een hogere werkelijkheid te ontdekken valt. Zo spelen we allemaal onze rol, binnen het bestek van het podium en de episode die ons gegeven is. En wie zal zeggen wat werkelijk verborgen of onverborgen is en wat niet, en wat wijzelf wensen te verbergen en wat niet, wat werkelijk waar is en wat niet?

WAARDEN & WERKELIJKHEID
Het moderne denken heeft die problematiek netjes gecategoriseerd. Het maakt bij monde van de Duitse filosoof Heinrich Rickert bijvoorbeeld onderscheid tussen, wat hij noemt, het ‘rijk van de waarden’ en het ‘rijk van de werkelijkheid’. Het rijk van de waarden is niet tastbaar aanwezig, maar manifesteert zich in de mentale akten van betekenisgeving en zingeving. Het rijk van de werkelijkheid is wel tastbaar voor zover het object van algemeen menselijke ervaring is.

Daarbij doet zich met betrekking tot de verhouding waarheid / werkelijkheid echter de eigenaardigheid voor, dat het rijk van de werkelijkheid weliswaar het niveau vertegenwoordigd waarop, wat dan heet, ‘de harde feiten’ te ontdekken zijn – zij vormen vooral het object van de natuurwetenschappen -, maar dat het rijk van de waarden, voor wat betreft zin en betekenis, in beslissende mate zich doet gelden in menselijke oordelen over datzelfde rijk van de zogenoemde tastbare feiten. Vraag: Hoe kan dat?

Antwoord: Voor de mens – anders dan voor het dier – wordt de werkelijkheid bemiddeld door een mentale zedelijk-morele gelaagdheid waar hij niet buiten kan treden zonder iets van zijn menselijke waardigheid af te doen. En dan gaan we even voorbij aan de vraag of dat aangeleerd, aangeboren of van God gegeven is – wat trouwens een aardig onderwerp is voor een volgende lezing. Binnen die zedelijk-morele gelaagdheid – we hebben het dan over het rijk van de waarden -, komt de mens tot overwegingen omtrent al het bestaande. Maar tegelijkertijd geeft hij met die overwegingen toe aan een diep verlangen naar waarheid omtrent de werkelijkheid in het algemeen, en de eigen werkelijkheid in het bijzonder.

WAARHEID & IDENTITEIT
Waarheid zoeken, als poging tot adequatie met de werkelijkheid, vormt op het niveau van die overwegingen, de reflectie, een belangrijk motief. Wat vooral tot uiting komt in de behoefte zich persoonlijk met de waarheid die door eigen ervaring en geestelijke inspanning is ontdekt te identificeren. In de kern willen we waarheid niet alleen zien, maar er ook deel aan hebben. Heel concreet: we willen waarheid belichamen, waar-achtig zijn, betrouwbaar zijn.

Zo wil ieder individu, ieder ‘ik’, zich met zijn of haar overwegingen en uitspraken voorstaan op waarheid, en wil ieder individu zich in zijn of haar daden voorstaan op goedheid, en zich met zijn of haar aanwezigheid voorstaan op een zekere mate van esthetische acceptatie – schoonheid dus. En de erkenning op elk van die punten is van groot belang voor het algeheel welzijn van elk individu. Er is niets zo funest voor een mens als langdurige en systematische aantijgingen van leugen, slechtheid en lelijkheid, of die nu uit de omgeving komen of door ingeving van een getraumatiseerd of met schuld beladen innerlijk. De psychische pijn die dat kan veroorzaken overtreft vaak die van lichamelijke pijnen, en niet zelden zijn die laatste een gevolg van het eerste.

Zo bezien is waarheid dus een levensvoorwaarde, niet zozeer voor het lichaam, alswel voor de geest – de menselijke geest. Wat niet wegneemt dat de leugen nog al eens verkozen wordt boven een waarheid die hard aankomt. Maar, áls het er op aan komt, willen we met de leugen niet de eeuwigheid in, met de waarheid wel. Maar dat voert te ver voor dit moment.

VOORTSCHRIJDEND INZICHT
Wel wil ik tot besluit van dit betoog nog even aanstippen dat we waarheid weliswaar een levensvoorwaarde kunnen noemen, maar dat waarheid ook levensbedreigend kan zijn wanneer ze door verkrampte geesten verabsoluteerd wordt tot een dwingend dogma. Al het andere moet dan buigen of barsten voor de totalitaire werkelijkheidsopvatting waar die betreffende waarheid op doelt.

Voor verkrampte geesten vormt waarheid het bewijs van het eigen gelijk, waarmee ze zich nu al opgenomen weten in de sfeer van de zuivere ideeën. Ze hebben hun denkramen gesloten uit vrees voor de onzuivere buitenlucht die hun waarheid zou kunnen infecteren, overtuigt als ze zijn dat de werkelijkheid hen niets meer heeft te onderwijzen. Mens en wereld liggen klaar voor het oordeel.

Maar wie nog niet zo ver is, die leeft bij de gratie van het voortschrijdend inzicht. Die verbindt zijn passie voor de waarheid met de dynamiek van de werkelijkheid. Die opent zijn ramen en schouwt tot aan verre horizonten. Die verzamelt en brengt bijeen, ervaringen, kennis en wijsheid, in het rijk van de waarden, waar de Waarheid geflankeerd wordt door de Goedheid en de Schoonheid…