Onderzoeksproject, inhoud & opzet


thematiek / methodiek | organisatie \ publicatie

door: drs. Dick van Biemen


t h e m a t i e k

Thematisch centreert het onderzoek zich rond zingeving in de ruimste betekenis van het woord. Vanuit die invalshoek vormt de Westerse cultuur het onderwerp, en dan in het bijzonder de kritieke fase - ideëel en moreel - waarin deze cultuur zich bevindt. Het betreft een crisis die door een groot aantal auteurs in politieke, economische, sociale, en meer recentelijk in vooral humanitaire en ecologische termen onderschreven wordt, maar die zich in essentie laat typeren als een "crisis van de zin" (Levinas). Deze crisis, waarvan de laat achttiende-eeuwse romantische revolte tegen de Verlichting al de aanzet vormde, werd tijdens het Interbellum en het existentialistisch klimaat van na de Tweede Wereldoorlog tot literair-wijsgerig thema verheven. Velen vermoedden immers toen al dat de ontwikkeling van het westers welvaartsconcept en de technocratische implementatie daarvan ten koste zou gaan van meer fundamentele kwesties aangaande mens en wereld. Vanuit een breder kader hebben vervolgens een aantal postmoderne denkers het echec van het westers vooruitgangsideaal langs diverse lijnen geanalyseerd en gekritiseerd. Naast dat de crisis intussen bepalend is geworden voor het algemeen levensgevoel, heeft deze daarmee ook een objectieve status verkregen: de crisis is er, en betreft in haar mondiale proporties zowel het private als het publieke domein.

Korte schets van het probleemveld: Historisch gezien laat de ontwikkeling van deze crisis zich schetsen als een maatschappijverandering die eind vijftiende eeuw aanving met de afloop van de Reconquista en de daarop volgende grootschalige 'ontdekking' van de nieuwe wereld door het Westen. Vanaf die periode begint een nieuw tijdperk van ongeëvenaard cultuurimperialisme. Overzeese landen en volken worden in toenemende mate geëxploreerd om als economisch en politiek verlengstuk binnen het Europees bewustzijn te worden geïncorporeerd. In de kustlanden van Europa zelf leiden de daaruit voortvloeiende handel en nijverheid tot grote demografische verschuivingen en toenemende verstedelijking, waarmee tegelijk de mogelijkheidsvoorwaarden worden geschapen voor het ontstaan van de burgerlijke samenleving. Als de opkomende burgerij zich vervolgens vanuit een groeiend zelfbesef wil ontworstelen aan de heersende machten van het Ancien Régime ontstaat er een nieuw waardenbesef dat uitdrukking wil geven aan die veranderende sociaal-maatschappelijke constellatie. De dragers van deze nieuwe realiteit zijn vooral de kooplieden en de humanistisch geschoolde intelligentsia van literatoren, kunstenaars en vrije wetenschappers. Hun belangrijkste motieven zijn particulier ondernemerschap en emancipatie van volk en individu. Hun belangrijkste waarden heten vrijheid en eigen verantwoordelijkheid.

De begrippen vrijheid en verantwoordelijkheid, door zeventiende-eeuwse politieke denkers als nieuwe maatschappelijke ijkpunten geformuleerd, werden vervolgens door achttiende-eeuwse Verlichtingsdenkers binnen de fictie van het maatschappelijk verdrag (Rousseau's Contrat social uit 1761), in termen van 'rechten' en 'plichten' gecanoniseerd. Deze waarden, voortgekomen uit de natuurrechtelijke noties recht op leven, recht op vrijheid en recht op eigendom, dienden echter voor een goed functioneren te worden verankerd in wetten die de burgerlijke en staatkundige verhoudingen binnen de nieuw te vormen samenleving van een redelijke fundering moesten voorzien, met als uiteindelijk doel: gerechtigheid, vrede en veiligheid voor iedereen. Aldus ontstond de basis voor de latere moderne democratische rechtsstaat, constitutioneel gegarandeerd en parlementair gecontroleerd. Helaas, zo zou de loop van de geschiedenis tonen, golden deze (voor)rechten niet voor iedereen. De op kapitalistische leest geschoeide samenleving ontwikkelde een sociaal-maatschappelijke werkelijkheid die ver af kwam te staan van het ideaal. Het geïntendeerde universalisme, nog doorklinkend in het revolutionair adagium vrijheid, gelijkheid en broederschap, werd door het cultuurimperialisme van de westerse elite tot een particularisme dat alle rechten op vrijheid en eigendom aan zich trok, ten koste van andermans recht op leven. Zo kreeg de vrijheid van de één het primaat over de plicht naar- en de verantwoordelijkheid voor de ander, de (loon)slaaf, de vreemdeling, de mens aan de andere kant van de grens, en ten slotte de natuur, het milieu, enz.

De onvermoede spanningen en conflicten die deze zelfbevoorrechting van het westers subject teweeg heeft gebracht zijn in hun desastreuze omvang op het einde van de twintigste eeuw pas goed aan het licht getreden. Als toevoeging aan de diepe trauma's van twee achterliggende wereldoorlogen betekenen ze voor het postmoderne weten niets minder dan een regelrechte delegitimering van die positie. Het gevolg daarvan is dat het primaat van de Westerse Rede als modus operandi onder zware kritiek is komen te staan, met alle repercussies voor de uit die rede afgeleide maatschappelijke en ideële instituties. Binnen het literair-wijsgerig discours heeft dit recentelijk geleid tot "het einde van de Grote Verhalen" (Lyotard), wat niets minder betekent dan de totale demystificatie van het epos van de moderne mens en zijn beschaving. Aldus van hun redelijke fundering losgeraakt, zijn vrijheid en verantwoordelijkheid voor het hedendaags besef tot zwevende grootheden geworden. We zijn niet meer zeker van hun fundering en van hun gelding binnen de actuele context. Voor het huidige levensgevoel brengen onze gecultiveerde vrijheden ons menszijn in verlegenheid, terwijl onze verantwoordelijkheden in de schaduw van de groeiende humanitaire en ecologische problematiek bovenmenselijke proporties lijken aan te nemen. Een parallel met Goethe's Zauberlehrling ligt voor de hand,...en daarmee is deze crisis tevens een crisis van de Westerse identiteit geworden.

De kern van het onderzoek: In bovenstaande schets vormen vrijheid en verantwoordelijkheid slechts een deel van het probleem, een probleem dat gecompleteerd kan worden met andere dilemma's betreffende aansluitende waarden zoals maatschappelijke solidariteit en individualiteit, persoonlijke expressiviteit en integriteit, om maar enkelen te noemen. Al deze waarden zijn min of meer op drift geraakt, - vandaar de noodzaak tot een hernieuwd waardendebat in de samenleving. Tegelijkertijd vormen deze probleemgebieden een indicatie voor dieperliggende fricties. Daarom wil het onderzoek voorbij deze conjunctuur van schuivende waarden zich vooral richten op de onderliggende structuur van het probleemveld. In die structuur stuiten we op de grondslagen van de Westerse cultuur zoals die langs historische weg hun specifieke gestalte hebben verkregen. En daarmee is de kern van het onderzoek gegeven. Grondslagenonderzoek betekent in dit verband het kritisch in beschouwing nemen van elementaire motieven binnen de westerse culuurgenese. Ruim genomen doen zich daarin drie clusters voor die als basismotieven van westers denken en doen zijn te typeren. Deze drie zijn: macht, eer en menselijkheid. In die volgorde bezien, gaat het om een hiërarchische ordening van motieven die vitaal zijn binnen het geheel van de Westerse samenleving. Naar de hier geschetste verhouding betreft het echter - zo luidt de kern van de werkhypothese - juist deze hiërarchie welke in belangrijke mate bepalend is voor de impasse waarin onze samenleving is komen te verkeren. Uitgaande van hun interne dynamiek kunnen deze clusters als volgt worden begrepen:


De werkhypothese: De begrippen macht, eer en menselijkheid duiden op een theoretische onderscheiding die de mogelijkheid biedt deze noties nader te onderzoeken en te preciseren. In het concrete bestaan echter gaat het om een complexe vervlechting van uiteenlopende fenomenen die vanuit een expliciete optiek geanalyseerd dienen te worden. Om de inzet van die culturele analyse aan te geven is daarom de volgende werkhypothese geformuleerd:

Menselijkheid als normatief ideaal vormt in sociaal verband niet de hoeksteen maar het sluitstuk van alle primaire verwerving van macht en streven naar eer. Deze laatste twee lijken vooraf te gaan. Slechts waar de fysieke en mentale (leef-)ruimte het toelaat resteert plaats voor de eerste. Dat is de wijze waarop het traditioneel hiërarchisch schematisme van de menselijke motivering zich manifesteert, en waar (ook) de Westerse cultuur in haar historische ontwikkeling een duidelijke exponent van vormt. De kritieke fase waarin die cultuur zich nu bevindt, dwingt ons tot een paradigmatische reflectie op deze cultuurgenese.

Het algemene karakter van deze werkhypothese laat ruimte voor de mogelijkheid van bijzondere gevallen die een ander beeld te zien geven. Het gaat in het onderzoek dan ook niet om strikte bewijsvoering, maar om een heuristisch programma waarin, naast een bepaling van de geldigheid van de werkhypothese, het begrijpen (verstehen) van de als problematisch voorgestelde werkelijkheidsdimensies voorop staat. Daarbij klinkt op de achtergrond van de werkhypothese de vraag door of binnen andere culturen dan de Westerse mogelijk dezelfde motieven werkzaam zijn, en zo ja, of deze motieven als zodanig deel uitmaken van een meer algemeen patroon van menselijke praxis. Waar de behandeling van deze vraag buiten het bestek van het onderzoek valt, verwijst die vraag zelf naar het gegeven dat binnen de Westerse cultuur de motieven macht, eer en menselijkheid tot instituties zijn uitgegroeid en daarmee een handvat bieden voor evaluatie van diezelfde cultuur. Uit dit laatste zijn drie argumenten af te leiden die het onderzoek ondersteunen:

Het institutionaliteitsargument. Genoemde motieven macht, eer en menselijkheid liggen als historisch gegroeide betekenissamenhangen (instituties) verankerd in zowel de joods-christelijke bronnen van Oude- en Nieuwe Testament, als in de klassieke Grieks-Romeinse en latere literaire en wijsgerige bronnen van Humanisme en Verlichting, waarvandaan ze vervolgens hun neerslag hebben gekregen binnen de instituten van het Westen.

Het legitimiteitsargument. Anders dan bij divergerende culturen, betekent dit dat het legitiem is de Westerse cultuur te analyseren en te kritiseren binnen de termen van haar eigen statuut. Tegen de beoordeling van een niet-westerse cultuur vanuit westerse criteria kan immers altijd het argument van willekeur worden aangevoerd.

Het rationaliteitsargument. De beoordeling van de Westerse cultuur vanuit genoemde instituties (haar eigen criteria!) is niet alleen legitiem te noemen, maar is binnen de context van de westerse rationaliteit zelfs geboden, wil diezelfde rationaliteit haar integriteit herwinnen.

Doelstelling van het onderzoek: Doel van het onderzoek is een kritische evaluatie van de Westerse ratio. Op wetenschappelijk en ideologisch vlak gaat het daarbij om vigerende paradigma's die nog te zeer uitgaan van klassiek-moderne noties omtrent ontwikkeling en vooruitgang van de samenleving middels beheersing en manipulatie van natuurlijke bronnen en menselijk potentieel. Op sociaal-maatschappelijk niveau betreft het een evaluatie van processen van anomisering en vervreemding welke bepalend zijn voor de toenemende fragmentering van de samenleving. Het onderzoek betekent daarom een uitnodiging tot denkoperaties welke in dialogisch verband vrucht kunnen afwerpen in termen van theorievorming, probleemanalyse en persoonlijke bewustwording. Deze belangen kunnen als volgt worden gecategoriseerd:

Cultuurwetenschappelijk belang. Het cultuurwetenschappelijk belang van het onderzoek betreft een kritische analyse van de grondslagen van de Westerse cultuur in relatie tot het ruime cultuurbegrip en de theorievorming rond universalisme en multiculturalisme.

Maatschappelijk belang. Het maatschappelijk belang van het onderzoek betreft het raakvlak van deze analyse met maatschappelijke dilemma's rond de ideële en morele inrichting van onze samenleving.

Persoonlijk belang. Het persoonlijk belang van het onderzoek betreft de inzichtelijkheid van de complexe relatie tussen vrijheid en verantwoordelijkheid als modi van de individuele leefruimte.


m e t h o d i e k

Een belangrijke accentverschuiving in de ontwikkeling van klassiek-moderne naar post-moderne filosofie is die van logisch-empirisch onderzoek naar hermeneutisch-ideeënhistorisch onderzoek. Het hedendaags wijsgerige klimaat laat zich mede hierdoor op veel punten typeren als een queeste naar de vermoedelijke oorsprong van zin en betekenis. Vanuit die methodologische perspectiefwisseling kan het hier gepresenteerde onderzoek begrepen worden als cultuurwetenschappelijk onderzoek naar de antecedenten, ofwel grondslagen, van de Westerse cultuur. Begrijpelijk dwingt de omvang van een dergelijk project tot selectieve afweging en expliciete verantwoording van de uit die afweging voortvloeiende keuzen. Onvolledigheid is daarbij niet te vermijden. De waarde van het onderzoek moet daarom mede gewogen worden in samenspraak met vergelijkbare onderzoekingen.

Hoofdlijnen binnen het onderzoek: De complexiteit van het totale onderzoeksdomein noodzaakt tot deelstudies aan de hand van concrete thema's en onderzoeksvragen. Een eerste ordening gaat uit van de reeds genoemde clusterindeling en leidt tot de volgende onderzoekslijnen:

Macht als thema betekent onderzoek naar de dynamische structuren van traditionele machtsconstellaties alsook het moderne interstatelijke streven naar machtsevenwicht. Het gaat om het verkrijgen van inzicht in het ontstaan van kleinschalige en grootschalige machtsverhoudingen, legitimatie en institutionalisering van macht en de rol van machtstheorieën.

Eer als thema vergt onderzoek naar de relaties tussen wereldbeeld en zelfbeeld en tussen statusverlenende posities, sociale competenties en macht. Daarbij gaat het om het inzichtelijk maken van processen van identiteitsvorming en zelfactualisatie als afgeleiden van vererfde en verworven macht.

Menselijkheid als thema nodigt tot onderzoek naar klassiek-humanistische en joods-christelijke mensbeelden, gericht op het verkrijgen van inzicht in het statuut van humaniteit en integriteit als ideaaltypisch correctief op het gefragmenteerd mensbeeld van de (post)moderniteit.

Methoden van onderzoek: De diverse onderzoeken leiden op onderdelen tot afgeronde studies die in samenhang het argumentatieve kader aangeven waarbinnen de werkhypothese geoperationaliseerd kan worden. Duidelijk is dat het geheel een multidisciplinaire benadering vergt waarbij de volgende methoden van onderzoek gehanteerd worden:

Literatuuronderzoek omvat de lectuur van cultuursociologische, -historische en -filosofische teksten met betrekking tot de te onderzoeken thema's en vakliteratuur omtrent de 'state-of-the-art'. Naast het verkrijgen van zakelijke informatie biedt dit de mogelijkheid eigen uitgangspunten en bevindingen voortdurend kritisch te evalueren.

Fenomenologisch onderzoek verloopt via methodische observatie van voor het onderzoek relevante verschijnselen, met het doel deze in hun grondstructuur nauwkeurig te beschrijven. Het is kwalitatief onderzoek dat zich richt op de fenomenale presentatie (descriptief) en hermeneutische representatie (normatief) van de te onderzoeken fenomenen.

Statistisch onderzoek omvat de kwantitatieve verzameling en verwerking van relevante sociaal-maatschappelijke aspecten zoals ideeën, attitudes en gedragingen van individuen en groepen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van lopende onderzoeken door o.a. het C.B.S., S.C.P., de W.R.R., TNS NIPO en Europese onderzoeken zoals de E.V.S. (European Values Studies).

Niveaus van onderzoek: De diversiteit in methoden van onderzoek impliceert verschillende niveaus van onderzoek. De instituties macht, eer en menselijkheid kunnen bijvoorbeeld bestudeerd worden als a-historische karakteristieken van ieder individu en iedere gemeenschap. Daarnaast kunnen deze motieven bezien worden in hun specifieke historische ontwikkeling binnen de Europese context, waarna de aldus verkregen gegevens op meta-niveau verwerkt kunnen worden in een kritische evaluatie. Op die manier is er sprake van de volgende methodologisch te onderscheiden onderzoeksniveaus:

Cultuursociologisch wordt een theoretisch kader ontwikkeld waarbinnen de fundamentele processen en a-historische grondstructuren van de betreffende instituties onderzocht worden vanuit de vraag naar hun hoedanigheid en culturele spreiding. Dit maakt een ideaaltypische definiëring van de begrippen macht, eer en menselijkheid mogelijk.

Cultuurhistorisch wordt ingegaan op de historische ontwikkeling van de fenomenen macht, eer en menselijkheid binnen de Europese context vanuit de vraag naar hun specifieke configuratie en culturele differentiatie. Zo wordt de actuele stand van zaken in een historisch en interpretatief kader geplaatst van waaruit diverse sociaal-maatschappelijke dilemma's te duiden zijn.

Cultuurfilosofisch wordt vanuit deze voorstudies ingegaan op de verschillende relaties tussen de onderzoeksobjecten. Het analyseren en problematiseren van de verkregen onderzoeksgegevens maakt het mogelijk vanuit een expliciet normatieve stellingname het probleemveld aan een waardeoordeel te onderwerpen op grond waarvan conclusies en aanbevelingen geformuleerd kunnen worden.

Waardebetrokkenheid: Het totale project impliceert een waardebetrokkenheid die zeker op cultuurfilosofisch niveau verantwoording eist, maar die al evident is in de voorwetenschappelijke positionering van de onderzoeker. De wetenschappelijke vraagstelling ontstaat immers nooit in een existentieel vacuüm. Ze neemt altijd, en noodzakelijk, haar vertrekpunt in een voorgaande zinconceptie, om vervolgens vanuit de factische werkelijkheidsbeleving te abstraheren naar de diepere gronden van het oorzakelijke, het wenselijke en het mogelijke. Het gaat in de menselijke praxis, waarvan wetenschap bedrijven er één is, dus niet om een neutraal existeren, maar om het engagement van een betekenisvol bestaan in termen van het Ware, Goede en Schone. Die modaliteiten vormen de ijkpunten waaraan alle intentionaliteit, functionaliteit en finaliteit worden afgemeten. Bij nader inzien echter - zo weten we al vanaf Socrates - blijkt het absolute zwaartepunt van deze triade ons te transcenderen, waarmee we aangewezen zijn op onze centrale intuïties die in hun voorlopige oriëntatie niet verder komen dan de hechting aan cultuurbepaalde tradities, ideeën en personen. Deze tijd-ruimtelijke cultuurvormen modeleren en normeren ons denken en doen en manifesteren zich in die functie als waarden waarin een aantal vooronderstellingen besloten liggen, welke op hun beurt de verwerking van iedere vraag en elke probleemstelling sturen. Voor een goed begrip van de onderzoeksopzet is het om die reden nuttig de daaraan ten grondslag liggende waarden, of, vooronderstellingen expliciet te maken. Daarmee worden deze niet alleen toegankelijk voor kritiek, maar wordt tevens de achtergrond inzichtelijk gemaakt waartegen de dynamiek van gegevensverwerking en argumentatie zich ontvouwt. Het betreft immers uitgangspunten die aan de wetenschapsbeoefening voorafgaan en in belangrijke mate de syntactische structuur daarvan bepalen, zonder zelf in directe zin object van onderzoek te zijn.

Heteronomie & Transcendentie. Zo geldt als belangrijk voorwetenschappelijk uitgangspunt bij het onderzoek de heteronome bepaaldheid van de werkelijkheid, te weten: de fundamentele samenhang van alles met alles, en dat van zowel de natuurlijke als de zedelijke orde. In het huidig denkklimaat wint dit uitgangspunt aan evidentie door de steeds pregnanter wordende aporie van de moderne autonomiegedachte: de idee van 'de autonome mens' blijkt een riskante fictie, zo wordt ons steeds duidelijker. In levensbeschouwelijke zin ligt deze vooronderstelling verankerd in de joods-christelijke openbaringsbronnen van Oude- en Nieuwe Testament, daar waar zich de contouren aftekenen van de relationele samenhang tussen God, mens en wereld. Op het vlak van het humanum is die samenhang binnen de onderscheiden leertradities gecentreerd rond de talmoedische Messias-gestalte en de christologische reflectie op de Persoon en het Werk van Jezus Christus. Op die wijze liggen hier, voor een diepgaande bezinning op mens en samenleving, belangrijke oriëntatiepunten waar in de voorlopigheid van het onderzoek meerdere heuristieken aan ontleent kunnen worden. Een niet gering aantal denkers onderschrijft deze optiek, waaronder Emmanuel Levinas (1906-1995). In navolging van o.a. Frans Rozenzweig en Martin Buber benadrukt hij de universele betekenis van het Messianisme als de paradigmatische adequatie van God, mens en wereld, en verdisconteert daarmee de idee van de 'pre-conditie' in een kritische reflectie op het westers humanisme met zijn specifiek politiek-economische en rationeel-technocratische configuratie. Maar op weer heel andere wijze is het ook Martin Heidegger (1889-1976) die, in zijn tragische worsteling met de Zijnsvraag en voortgaande reflectie op de moderniteit van het Westen, verwijst naar de transcendentie als noodzakelijke vooronderstelling tot alle menselijk weten en handelen, en daarmee, als mogelijkheidsvoorwaarde tot waarachtig existeren. In een posthuum gepubliceerd interview in Der Spiegel van 31 mei 1976, doet hij dat met de woorden: "Nur ein Gott kann uns noch retten".., waarmee hij niets minder dan de eindigheid van het kennend en kunnend subject stipuleert. Want, is niet alle strijden en lijden tot de dood in zekere zin het logisch gevolg van het menselijk onvermogen zichzelf te verwezenlijken? Het zijn daarom die apriorische noties, vervat in de begrippen heteronomie en transcendentie, welke in het onderzoek worden meegenomen om daarin nader te worden geëxpliciteerd als metafysica van de cultuur.


o r g a n i s a t i e

Hoe is een en ander georganiseerd? Een 'coming-out' geeft hier duidelijkheid. Mijn cultuurwetenschappelijk engagement is niet noodzakelijk, dat wil zeggen: om den brode, gecommitteerd aan een instelling of ideologie. Ik behoor (...men behoort altijd wel ergens toe), in die zin tot wat de socioloog Karl Mannheim (1893-1947) noemde: de "sozialfreischwebende Intelligenz", waarmee hij doelde op een andere noodzakelijkheid, namelijk, die van een uit niet-gebonden overwegingen voortkomende stellingname ten aanzien van sociaal-maatschappelijke kwesties. Met deze betrekkelijke ongebondenheid behoeft de organisatiestructuur weinig uitleg. De directe organisatorische eenheid waar ik deel van uitmaak, en tegelijk ook de grootste, is het conjugaal gezin - man, vrouw, zoon en twee dochters - waarbinnen het leven zich in bescheiden proporties aan mij voorstelt en ik de directieven ontvang omtrent de lusten en lasten van echt, ouderschap en huishouden.

Verder zijn het, met de woorden van Immanuel Kant (1724-1804), vooral "de sterren boven mij" en "de zedelijke wet in mij", die verwondering wekken en zo aanzetten tot, wat Aristoteles (384-322 v.C.) zag als de menselijke taak bij uitstek: de overdenking van dat "wat Eeuwig en Noodzakelijk is". Voor mij betekent het eerste in levensbeschouwelijke zin: geloof in het bestaan van God en de overdenking van zijn woord (Psalm 1); en het tweede in wijsgerige zin: geloof in het primaat van de ethiek en de overdenking van goedheid en waarheid als categorische imperatieven. Dat commitment maakt mij tot een gelukkig mens. Een geluk trouwens (Aristoteles sprak van eudaimonia, een "hoogste goed") dat ik beschouw als toegift, als on-bedoeld bijverschijnsel, maar wel-bedoeld om met anderen te delen. Zoiets gaat nooit on-middellijk, maar kan slechts (en dan weer onbedoeld) middels de presentatie van een aantal denkposities, in gesprekken, cursussen en publicaties. Wat die laatste betreft, staan er twee langlopende studies op het programma:

Zin in tweevoud - een fenomenologie van de individuele zinbeleving: In deze studie vormt de individuele zinbeleving het uitgangspunt voor een verkenning van het zinbegrip dat zich aandient in de actuele vraag naar de Zin van het leven in het algemeen en die van het eigen bestaan in het bijzonder. Het voorwoord vermeldt:

"De postmoderne hang naar beleving verraad de latente aanwezigheid van de behoefte aan zin. Een behoefte die evenals elke andere behoefte effectief wordt gemanipuleerd door de commerciële beeldvorming van een 'succesvol leven' dat in het aanbod van talloze opties maakbaar lijkt, en waarmee het ontvankelijk subject wordt aangezet tot ambities, pretenties en verwachtingen die ondanks alle nadrukkelijkheid niet het gewenste effect lijken te sorteren. In crescendo: de hedendaagse belevingscultuur biedt niet de ervaring van de voldoening, maar die van de behoefte, in de cultivering van een obsessioneel verlangen naar levensvervulling. De vraag die hier gesteld moet worden luidt daarom: Is een denken van de Zin mogelijk vanuit de ervaring van de behoefte? "

Het onderzoek gaat in op de verhouding tussen Zin met een hoofdletter en zin met een kleine letter. Dat is, de Zin als transcendente grootheid die elke adequatie overstijgt, en zin als afgeleide daarvan die zich begrippelijk laat bemiddelen in de hermeneuse tussen immanente zinbehoefte en transcendente Zin. Zin in tweevoud dus. Er zijn een aantal aspecten in de huidige zinproblematiek en de discussies daaromtrent die in deze studie ter sprake worden gebracht om ze vervolgens voor zich te laten spreken. Datum van publicatie volgt.

Promotieonderzoek: Dit is een studie in voorbereiding die ingaat op een belangrijk aspect van het totale onderzoeksdomein. Wanneer de organisatorische en inhoudelijke opzet definitief zijn volgt daar op deze plaats verdere mededeling over.